Member details
Gebruikersnaam
Wachtwoord
 
Wachtwoord vergeten?
 
 

Blogs

 

De zeven raven - Grimm -

9 jan 2008, 23:30

De zeven raven
Er was eens een man met zeven zonen en nog steeds geen dochtertje; hoe graag hij dat ook wilde hebben. Eindelijk gaf zijn vrouw hem weer de hoop op een kindje, en toen het ter wereld kwam, was het inderdaad een meisje. Grote vreugde, maar het kindje was teer en klein en omdat het zo zwak was, moest het snel gedoopt worden. De vader stuurde één van zijn jongens vlug naar een bron om doopwater te halen, de andere zes liepen allemaal mee en omdat ze allemaal de eerste schep wilden doen, viel de kruik in het water. Daar stonden ze. Ze wisten niet wat te doen en naar huis durfde er niemand. Maar toen ze niet terugkwamen, werd de vader ongeduldig en zei: "Ze hebben het natuurlijk weer onder het spelen vergeten, die goddeloze deugnieten."

Hij werd bang, dat het meisje ongedoopt zou sterven, en in zijn boosheid riep hij: "Ik wou dat die jongens allemaal raven werden!" Nauwelijks was het woord gesproken, of hij hoorde een gesuis in de lucht boven zijn hoofd, hij keek omhoog en zag zeven koolzwarte raven opvliegen en wegzwieren.

De ouders konden de verwensing niet meer terugnemen; maar hoe bedroefd zo ook waren over het verlies van hun zonen, ze werden toch enigszins getroost door hun lief dochtertje, dat weldra op krachten kwam en elke dag mooier werd. Lange tijd wist zij niet eens, dat haar ouders nog andere kinderen hadden, want de ouders hoedden zich er wel voor hen te noemen, tot ze eens op een dag heel toevallig de mensen over haarzelf hoorde spreken, het meisje was dan wel mooi, maar toch de schuld van het ongeluk van haar zeven broers. Toen werd ze heel verdrietig, en vroeg of ze dan broers had gehad en waar die heen waren? Nu durfden de ouders het geheim niet langer te bewaren, maar ze zeiden, dat het een beschikking van de hemel was en haar geboorte maar een onschuldige aanleiding. Maar het meisje verweet het zichzelf dagelijks en ze geloofde dat zij hen weer moest verlossen. Ze had rust noch duur, tot ze zich eindelijk klaarmaakte om de wijde wereld in te gaan, haar broeders te vinden en te bevrijden wat het ook kosten mocht. Ze nam niets anders mee dan een ringetje als aandenken aan haar ouders, een groot brood voor de honger, een kruikje water voor de dorst en een stoeltje voor de moeheid.





Nu liep ze aldoor voort, ver, ver weg tot aan het eind van de wereld. Toen kwam ze bij de zon, maar die was al te heet en vreselijk en ze at de kleine kinderen op. Haastig holde ze weg en liep naar de maan, maar die was te koud en te griezelig en te boos, en toen die het kind zag, zei de maan: "Ik ruik, ik ruik, ik ruik mensenvlees!" Daarom maakte ze dat ze weg kwam en liep naar de sterren. Die waren vriendelijk en goed, en ieder zat op een eigen stoeltje. Maar de morgenster stond op, gaf haar een kippepootje en zei: "Als je zo'n pootje niet hebt, kun je de glazen berg niet openmaken, en in de glazen berg zijn je broers." Het meisje nam het beentje, wikkelde het goed in haar schortje en ging weer zo lang verder tot ze bij de glazen berg kwam. De poort was gesloten, maar toen ze het pootje loswikkelde, was haar schortje leeg: ze had het geschenk van de ster verloren. Wat nu te doen? Haar broers wilde ze toch redden, en ze had geen sleutel voor de glazen berg. Het lieve kind nam een mes, sneed zichzelf haar pink af, stak die in de poort en meteen ging hij open.

Toen ze naar binnen was gegaan, kwam haar een dwergje tegemoet, dat zei: "Kind, wat zoek je?" "Ik zoek mijn broers, de zeven raven," antwoordde ze. De dwerg sprak: "De heren raven zijn niet thuis, maar als je zo lang wilt wachten, kom dan maar binnen." Nu ging het dwergje het eten voor de zeven raven opdienen, op zeven bordjes en in zeven bekertjes, en van elk van de bordjes at het zusje één broodje, uit elk van de bekertjes dronk ze een slokje, maar in het laatste bekertje liet ze het ringetje vallen dat ze meegenomen had.

Opeens klonk er in de lucht een gesuis van wiekslagen; toen sprak het dwergje: "Nu komen de heren raven naar huis gevlogen." Daar waren ze, ze wilden eten en drinken en zochten hun bordjes en bekertjes. Toen zei de één na de ander: "Wie heeft van mijn bord gegeten? Wie heeft uit mijn bekertje gedronken? Dat moet een mensenmond zijn geweest." En toen de zevende zijn bekertje tot de bodem leeg gedronken had, rolde het ringetje naar hem toe. Hij bekeek het en zag dat het de ring van zijn vader en zijn moeder was, en zei: "God, geve dat onze zuster hier geweest is, want dan zouden we verlost kunnen worden." Zodra het meisje, dat achter de deur stond te luisteren, dat hoorde, kwam zij te voorschijn, en meteen hadden alle raven hun mensengedaante terug. Ze kusten elkaar verheugd en trokken juichend naar huis.

› Meer...

SHAMEN STAFF RAVEN

9 jan 2008, 23:23

Indiaanse mythologie
Voor de indianen van de Noordwestkust van Noord Amerika was en is de raaf het belangrijkste schepsel.

Het was raaf – de gedaanteverwisselaar ; de culturele held; de misleider – die de wereld creëerde. Hij bracht de mensen op de aarde en gaf hen water en vuur. Hij verdeelde de rivieren , meren en cederbossen over het land en plaatste de zon, maan en sterren in de hemel, vis in de zee, zalm in de rivier en voedsel op het land.

In het bezit van magie en bovennatuurlijke krachten, kon raaf zichzelf elk moment in alles veranderen.

Raaf wordt nog steeds geëerd in de kunst bijvoorbeeld de totempalen van de Haida stammen.



Keltische Mythologie
De Kelten meende dat de raaf profetische gaven had en hij verschijnt in de gedaante van Badhbh, de raaf van de strijd en als Morigan, de oorlogsgodin.

Noorse Mythologie
Volgens de Scandinavische overlevering had de Noorse God Odin twee raven als zijn boodschappers; Hugin (kennis) en Mugin (geheugen). Aldus mag de raaf gelden als boodschapper van het grote geestelijke rijk.

Griekse Mythologie
Bij de Grieken was de raaf de waakzame boodschapper en profeet. Hij voorspelde de dood van Plato en Cicero.
De raaf symboliseert magie, creativiteit, transformatie, balans, dualiteit en verbondenheid met de mens.

Bron: www.nativeart.nl

› Meer...

Het Westfriese Geslacht Raven

30 okt 2007, 13:05

Er is bestaat een boek over het Westfriese geslacht Raven(zie ook berichten op deze hyve), een schippersfamilie in Noord-Holland(1600-1900). Dit boek is geschreven door Chr. P. Raven(Hoorn,1986.
Het boek telt 171 pagina's(Stolphoevereeks, XIII).


Ik heb geen idee of dit boek op het moment nog verkrijgbaar is. Destijds was het te bestellen voor 2,50 euro bij het Westfriese genootschap.

www.westfriesgenootschap.nl



› Meer...

Vertaling : The Raven Edgard Allen Poe

18 okt 2007, 13:01

In een nacht toen 't buiten woedde, en ik peinzend, mat en moede,
Nadacht over 't schoone en goede van een lang vergeten leer;
En mijn hoofd begon te knikken, hoorde ik plotseling iets tikken,
Dat mij uit mijn slaap deed schrikken. "Wie zou 't wezen in dat weer?
Een bezoeker klopt daar," dacht ik, "aan mijn kamer in dat weer;
Dat slechts is het, en niets meer."

Middernacht had juist geslagen, toen mij oogen scheemrend zagen,
Hoe in 't vlammend vuur met vlagen, schimmen dwarlden heen en weer.
'k Haakte vurig naar den morgen; 'k vond geen boek dat mijne zorgen
Wegdreef. Voor mijn oog verborgen, opgevoerd naar hooger sfeer
was Lenore, schoon en stralend, opgevoerd naar hooger sfeer;
Hier, helaas! voor mij niet meer!

Ritslend werd als voor mijn oogen zachtjes het gordijn bewogen;
'k voelde nu mijn vrees verhoogen, nooit zoo sterk gevoeld weleer,
Dat ik sprak, om aan het beven van mijn hart wat rust te geven;
"Een bezoeker klopt daar even, die wat laat komt dezen keer,
Een of andere bezoeker, die wat laat komt dezen keer;
Dat slechts is het, en niets meer."

'k Voelde nu mijn moed herleven; en ik sprak van vrees ontheven:
"Zeker zult gij mij vergeven 't lange wachten in dat weer;
'k zat als sluimerend te knikken en zoo zachtjes kwaamt gij tikken,
Dat gij mij deedt wakker schrikken door uw kloppen dezen keer;
Kom dus binnen, Heer of Dame! na uw koppen dezen keer." -
Duisternis! en ook niets meer.

Lang bleef ik in 't duister staren; doch ik kon 't mij niet verklaren.
't was mij of het droomen waren, die geen sterveling had weleer.
Niets kwam nu de stilte breken; en de stilte gaf geen teeken.
En ik kon slechts n woord spreken; 'k riep dan naam der dierbre weer,
'k Riep: "Lenore!" vlug gaf de echo mij het woord "Lenore!" weer,
Dat alleen, en ook niets meer.

'k Vloog ontsteld daarop naar binnen, als beroofd van al mijn zinnen;
Daar ging 't kloppen weer beginnen, nu wat luider dan weleer.
'k Hoorde 't vreemd getik daar buiten, duidlijk aan mijn vensterruiten.
"'k Wil," zoo dacht ik, "'t raam ontsluiten en mijn hart wordt rustig weer;
Ja! ik zal 't geheim doorgronden en mijn hart wordt rustig weer." -
't Was de wind, en ook niets meer."

"Nu een stout besluit genomen!" 't Venster oopnend zonder schromen,
Zie 'k een Raaf naar binnen komen, deftig schuddend wiek en veer;
Niet in 't minst scheen 't beest te dralen; en als kwam het mij verhalen
Van dat oord waar geesten dwalen, liet het zich toen statig neer
Boven op een beeld van Pallas, aan mijn deur zich statig neer;
Zat daar stil, en deed niets meer.

Hoe door smart ook neergebogen, 't vreemde van des vogels oogen
Had mij tot een lach bewogen en ik sprak toen tot hem weer:
"Vogel! met uw vreemde trekken en uw kruin met kale plekken,
Wil mij, zoo gij kunt, ontdekken of gij komt van 't schimmenheer?
En mij zeggen hoe de naam is, dien gij draagt in 't schimmenheer?"
En de Raaf zei: "Nimmermeer."

Vreemd klonk mij die stem in de ooren, want ik had nog nooit te voren
En zoo duidlijk kunnen hooren als die Raaf sprak dezen keer;
Ook had ik nog nooit gelezen dat n enkel menschlijk wezen
Soms een vogel zag als dezen, strijken op een buste neer,
Zulk een zonderlingen vogel, strijken op een buste neer,
Met den naam van: "Nimmermeer."

Lang bleef ik gespannen wachten en naar een verklaring trachten;
Doch het dier gaf zijn gedachten met dat ne woord slechts weer;
Het gaf verder taal noch teeken, had geen veer zelfs gladgestreken.
'k Ging toen tot mij zelven spreken: "Alles vlood van mij weleer;
Als het daagt vertrekt die vogel, als mijn hoop vervloog weleer."
En de Raaf zei: "Nimmermeer."

Schoon verrast dat woord te hooren, dat de stilte kwam verstoren,
Dacht ik: "Zoo sprak 't dier te voren, zeker bij zijn vroegren Heer,
Die, door ramp op ramp geslagen, tot hij grafwaarts werd gedragen
Altijd maar zijn leed bleef klagen met dezelfde woorden weer
En wanhopig dan herhaalde steeds diezelfde woorden weer,
Altijd klagend: "Nimmermeer!"

't Dier, op 't beeld nog steeds gezeten, deed mij haast mijn leed
vergeten;
En nu trachtend meer te weten, viel ik in mijn leustoel neer,
Liet mijn zinnen zich verdiepen, dat zij visioenen schiepen,
Die mij luid in de ooren riepen wat dat beest van 't schimmenheer,
Wat die zwarte, nare vogel uit het het donkre schimmenheer
Meende met zijn "Nimmermeer."

'k Liet zoo mijn gedachten zweven zonder 't beest n woord te geven,
Voor wiens oogen ik moest beven als ik ze aanzag telkens weer;
En in diep gepeins verloren, dacht ik weer aan mijn Lenoren,
Die op d'eigen stoel te voren 's avonds zat zoo meenge keer,
Op dien stoel met zijden zitting, waar zij zat zo meengen keer,
Rusten zal, ach! nimmermeer.

't Werd toen scheemrend voor mijn oogen, alsof serafs uit den Hoogen,
Op hun knie n diep gebogen, wierook brandden God ter eer.
'k Sprak toen: "Zij zijn mij gezonden, balsem brengend voor mijn wonden;
'k Heb verlichting nu gevonden, eens zie ik Lenore weer;
'k Zie, na al mijn leed en droefheid, eenmaal nog Lenore weer."
En de Raaf zei: "Nimmermeer!"

'k Sprak toen: "Raadselachtig wezen, dat de toekommst mij komt lezen,
Moet 'k hier Satans listen vreezen, of wierp u een stormvlaag neer?
Vogel! zelf door schrik verbijsterd, in dit huis door ramp geteisterd;
Wordt mijn hartewond bepleisterd, vindt zij nog genezing weer?
Is er balsem voor die wonde; vindt zijn nog genezing weer?"
En de Raaf zei: "Nimmermeer!"

'k Vroeg weer: " Onbegrijplijk wezen, dat de toekomst mij komt lezen,
Bij den Hemel onvolprezen! Bij den hoogen Hemelheer!
Vind ik, mag ik 't nog gelooven, in het Paradijs daarboven,
Waar geen dood haar komt ontrooven, eenmaal nog Lenore weer?
Vind ik eenmaal daar die zaalge, dierbre maagd Lenore weer?"
En de Raaf zei: "Nimmermeer!"

'k Riep toen: "'k Wil geen woord meer hooren! Vogel, die mijn rust komt storen,
Keer door 't stormweer als te voren naar het donkre schimmenheer!
Laat geen veer hier als een teeken van uw schandlijk leugenspreken,
Dat mijn eenzaamheid kwam breken; en verlaat mij kamer weer!
Houdt nu op mijn ziel te kwellen en verlaat mijn kamer weer!"
En de Raaf zie: "Nimmermeer!"

En de vogel, nimmer wijkend en geen enkle veer verstrijkend,
Zit nog altijd, ernstig kijkend, op het borstbeeld als weleer.
Somtijds schijnt hij ook te droomen; en als de avond is gekomen,
En zijn schim wordt waargenomen bij het lamplicht telkens weer,
Voelt mijn ziel van 't zware schijnsel, dat haar schrik geeft telkens
weer,
Zich ontslagen nimmermeer!

› Meer...

The Raven - Edgar Allan Poe

18 okt 2007, 10:18

Once upon a midnight dreary, while I pondered weak and weary,
Over many a quaint and curious volume of forgotten lore,
While I nodded, nearly napping, suddenly there came a tapping,
As of some one gently rapping, rapping at my chamber door.
`'Tis some visitor,' I muttered, `tapping at my chamber door -
Only this, and nothing more.'

Ah, distinctly I remember it was in the bleak December,
And each separate dying ember wrought its ghost upon the floor.
Eagerly I wished the morrow; - vainly I had sought to borrow
From my books surcease of sorrow - sorrow for the lost Lenore -
For the rare and radiant maiden whom the angels named Lenore -
Nameless here for evermore.

And the silken sad uncertain rustling of each purple curtain
Thrilled me - filled me with fantastic terrors never felt before;
So that now, to still the beating of my heart, I stood repeating
`'Tis some visitor entreating entrance at my chamber door -
Some late visitor entreating entrance at my chamber door; -
This it is, and nothing more,'

Presently my soul grew stronger; hesitating then no longer,
`Sir,' said I, `or Madam, truly your forgiveness I implore;
But the fact is I was napping, and so gently you came rapping,
And so faintly you came tapping, tapping at my chamber door,
That I scarce was sure I heard you' - here I opened wide the door; -
Darkness there, and nothing more.

Deep into that darkness peering, long I stood there wondering, fearing,
Doubting, dreaming dreams no mortal ever dared to dream before
But the silence was unbroken, and the darkness gave no token,
And the only word there spoken was the whispered word, `Lenore!'
This I whispered, and an echo murmured back the word, `Lenore!'
Merely this and nothing more.

Back into the chamber turning, all my soul within me burning,
Soon again I heard a tapping somewhat louder than before.
`Surely,' said I, `surely that is something at my window lattice;
Let me see then, what thereat is, and this mystery explore -
Let my heart be still a moment and this mystery explore; -
'Tis the wind and nothing more!'

Open here I flung the shutter, when, with many a flirt and flutter,
In there stepped a stately raven of the saintly days of yore.
Not the least obeisance made he; not a minute stopped or stayed he;
But, with mien of lord or lady, perched above my chamber door -
Perched upon a bust of Pallas just above my chamber door -
Perched, and sat, and nothing more.

Then this ebony bird beguiling my sad fancy into smiling,
By the grave and stern decorum of the countenance it wore,
`Though thy crest be shorn and shaven, thou,' I said, `art sure no craven.
Ghastly grim and ancient raven wandering from the nightly shore -
Tell me what thy lordly name is on the Night's Plutonian shore!'
Quoth the raven, `Nevermore.'

Much I marvelled this ungainly fowl to hear discourse so plainly,
Though its answer little meaning - little relevancy bore;
For we cannot help agreeing that no living human being
Ever yet was blessed with seeing bird above his chamber door -
Bird or beast above the sculptured bust above his chamber door,
With such name as `Nevermore.'

But the raven, sitting lonely on the placid bust, spoke only,
That one word, as if his soul in that one word he did outpour.
Nothing further then he uttered - not a feather then he fluttered -
Till I scarcely more than muttered `Other friends have flown before -
On the morrow will he leave me, as my hopes have flown before.'
Then the bird said, `Nevermore.'

Startled at the stillness broken by reply so aptly spoken,
`Doubtless,' said I, `what it utters is its only stock and store,
Caught from some unhappy master whom unmerciful disaster
Followed fast and followed faster till his songs one burden bore -
Till the dirges of his hope that melancholy burden bore
Of "Never-nevermore."'

But the raven still beguiling all my sad soul into smiling,
Straight I wheeled a cushioned seat in front of bird and bust and door;
Then, upon the velvet sinking, I betook myself to linking
Fancy unto fancy, thinking what this ominous bird of yore -
What this grim, ungainly, gaunt, and ominous bird of yore
Meant in croaking `Nevermore.'

This I sat engaged in guessing, but no syllable expressing
To the fowl whose fiery eyes now burned into my bosom's core;
This and more I sat divining, with my head at ease reclining
On the cushion's velvet lining that the lamp-light gloated o'er,
But whose velvet violet lining with the lamp-light gloating o'er,
She shall press, ah, nevermore!

Then, methought, the air grew denser, perfumed from an unseen censer
Swung by Seraphim whose foot-falls tinkled on the tufted floor.
`Wretch,' I cried, `thy God hath lent thee - by these angels he has sent thee
Respite - respite and nepenthe from thy memories of Lenore!
Quaff, oh quaff this kind nepenthe, and forget this lost Lenore!'
Quoth the raven, `Nevermore.'

`Prophet!' said I, `thing of evil! - prophet still, if bird or devil! -
Whether tempter sent, or whether tempest tossed thee here ashore,
Desolate yet all undaunted, on this desert land enchanted -
On this home by horror haunted - tell me truly, I implore -
Is there - is there balm in Gilead? - tell me - tell me, I implore!'
Quoth the raven, `Nevermore.'




`Prophet!' said I, `thing of evil! - prophet still, if bird or devil!
By that Heaven that bends above us - by that God we both adore -
Tell this soul with sorrow laden if, within the distant Aidenn,
It shall clasp a sainted maiden whom the angels named Lenore -
Clasp a rare and radiant maiden, whom the angels named Lenore?'
Quoth the raven, `Nevermore.'

`Be that word our sign of parting, bird or fiend!' I shrieked upstarting -
`Get thee back into the tempest and the Night's Plutonian shore!
Leave no black plume as a token of that lie thy soul hath spoken!
Leave my loneliness unbroken! - quit the bust above my door!
Take thy beak from out my heart, and take thy form from off my door!'
Quoth the raven, `Nevermore.'

And the raven, never flitting, still is sitting, still is sitting
On the pallid bust of Pallas just above my chamber door;
And his eyes have all the seeming of a demon's that is dreaming,
And the lamp-light o'er him streaming throws his shadow on the floor;
And my soul from out that shadow that lies floating on the floor
Shall be lifted - nevermore!

› Meer...